U gebruikt een verouderde browser. Update uw browser voor een betere en veiligere ervaring.update

Artikel 185 Wegenverkeerswet: bescherming voor de ‘zwakke verkeersdeelnemer’

Bij Utrechtse Schade Advocaten krijgen we vaak vragen over de behandeling van verkeersongevallen.

Bij veel voorkomende ongevallen zijn twee partijen betrokken:

  • een gemotoriseerde verkeersdeelnemer (auto, tram, bus);
  • en een niet-gemotoriseerde verkeersdeelnemer (fietser, voetganger).

Een niet-gemotoriseerde verkeersdeelnemer wordt ook wel een ‘zwakke verkeersdeelnemer’ genoemd.

Artikel 185 Wegenverkeerswet

In deze gevallen is het bijzondere regime van artikel 185 Wegenverkeerswet[1] van toepassing.

De aansprakelijkheid van dit artikel neigt naar een risicoaansprakelijkheid. Het betreft een vergaande aansprakelijkheid die in de loop van de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw voornamelijk in de rechtspraak van de Hoge Raad tot ontwikkeling is gekomen.

Beroep op overmacht

De eigenaar/houder van het gemotoriseerde voertuig is verplicht de schade te vergoeden, tenzij hij een beroep op overmacht aannemelijk maakt. Een beroep op overmacht slaagt pas als de bestuurder geen enkel verwijt kan worden gemaakt.[2]

De gemotoriseerde verkeersdeelnemer moet rekening houden met fouten van andere deelnemers, tenzij de fout zó onwaarschijnlijk is dat de bestuurder hier geen rekening mee behoefde te houden.[3]

De bestuurder moet anticiperen op verkeersfouten van andere weggebruikers, ook in het geval andere weggebruikers in strijd met de verkeersregels oversteken.[4] Een beroep op overmacht is daarom zelden succesvol.[5]

50%- en 100%-regel

Op grond van de billijkheid heeft de Hoge Raad de 100%- en 50%-regel ontwikkeld.

  • Voor slachtoffers tot 14 jaar geldt in beginsel[6] een volledige schadevergoedingsverplichting (de 100%-regel).
  • Bij slachtoffers van 14 jaar en ouder wordt de 50%-regel toegepast. De zwakke verkeersdeelnemer krijgt dan in ieder geval de helft van de schade vergoed, behalve als er sprake is opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid.[7] Van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid is slechts sprake wanneer het slachtoffer zich onmiddellijk voorafgaand aan haar gedragingen bewust is geweest van het roekeloze karakter van de gedragingen.[8]

Causaliteitsverdeling en billijkheidscorrectie

Een hogere vergoeding dan 50% kan voortvloeien uit de causale verdeling en de billijkheidscorrectie van artikel 6:101 BW.

Bij de causaliteitsafweging wordt gekeken naar de mate waarin de fout van de niet-gemotoriseerde enerzijds en de aan de gemotoriseerde toe te rekenen omstandigheden anderzijds aan de schade hebben bijgedragen.

De billijkheidscorrectie kan worden toegepast vanwege:

  • de aard van de gemaakte fouten en de opgelopen schade;
  • het Betriebsgefahr[9] dat voor risico komt van de bestuurder;
  • de aanwezigheid van een verzekering bij de niet-gemotoriseerde.

Letselschade advocaat

Meer weten over letselschade na een ongeval? Of bent u slachtoffer van een verkeersongeval en zoekt u hulp van een advocaat om de aansprakelijkheid vast te stellen? Neem contact op met een letselschade advocaat van Utrechtse Schade Advocaten.

Voetnoten

[1] Tot de Wegenverkeerswet 1994 ging het om artikel 31 WVW (oud) dat vrijwel dezelfde inhoud had als artikel 185 WVW.

[2] HR 29 januari 1999, NJ 1999, 245; HR 15 januari 1993, NJ 1993, 568; HR 22 mei 1992, NJ 1992, 527; HR 4 mei 2001, NJ 2002, 214.

[3] HR 16 februari 1996, NJ 1996, 393 (Plomp/Ketelaars).

[4] HR 15 januari 1993, NJ 1993, 568.

[5] HR 16 april 1942, NJ 1942, 394; Hof Arnhem 19 mei 1998, VR 1999, 122.

[6] Tenzij er sprake is opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid kan er voor verkeersslachtoffers tot 14 jaar geen sprake zijn van overmacht (HR 31 mei 1991, NJ 1991, 721, Marbeth van Uitregt) en eigen schuld (HR 1 juni 1990, NJ 1991, 720, Ingrid Kolkman). In de rechtspraak is bij slachtoffers tot 14 jaar echter niet snel sprake van opzet, roekeloosheid of eigen schuld, omdat rekening wordt gehouden met de impulsiviteit en onberekenbaarheid van kinderen.

[7] HR 2 juni 1995, NJ 1997, 700-701 (Marloes de Vos); HR 5 december 1997, NJ 1998 400-402 (Said Hyati).

[8] HR 30 maart 2007, LJN: AZ7863.

[9] Het gaat om het concrete betriebsgefahr (het beroepsgevaar dat zich in de betreffende zaak voordoet). Het abstracte betriebsgefahr (het extra gevaar dat een motorrijtuig in het algemeen voor zwakkere verkeersdeelnemers oproept) kan niet worden meegewogen bij de billijkheidscorrectie omdat dit al is verdisconteerd in de gedachte van bescherming van zwakkere verkeersdeelnemers die aan de 50%-regel ten grondslag ligt.


Meer informatie over onze dienstverlening bij letselschade?

Pierre van Geffen

Het beroep van advocaat is mij op het lijf geschreven. Ik adviseer, onderhandel en procedeer. Daarbij stel ik altijd het belang van mijn cliënt voorop en ga ik voor maximaal resultaat.

Neem contact op