U gebruikt een verouderde browser. Update uw browser voor een betere en veiligere ervaring.update

Letselschade en bewijslastverdeling deel II: bijzondere bewijsregels

Naast de hoofdregel van de bewijslastverdeling bepaalt artikel 150 Rv ook dat er uitzonderingen op de hoofdregel gelden.

Deze uitzonderingen gelden:

  1. in geval van een bijzondere regel, of
  2. wanneer een andere verdeling voortvloeit uit de eisen van redelijkheid en billijkheid.

Bijzondere bewijsregels zijn vastgelegd in diverse BW- en andere wettelijke bepalingen[1], maar ook in de rechtspraak van de Hoge Raad zijn bijzondere regels als bedoeld in artikel 150 Rv ontwikkeld.[2]

De omkering van de bewijslast en daarmee het bewijsrisico is de zwaarste ingreep in de bewijslastverdeling. Zij versterkt de positie van de partij ten gunste van wie zij werkt in aanzienlijke mate, zowel processueel als materieelrechtelijk, omdat de rechtsbescherming die deze partij geniet effectiever wordt.[3]

Naast de omkering van de bewijslast kunnen zich andere mogelijkheden voordoen om tegemoet te komen aan de bewijsnood van een partij. Zo zijn er de wettelijke[4] en rechterlijke of feitelijke[5] vermoedens. Ook kan er een verzwaarde motiveringsplicht (stelplicht) worden opgelegd om de bewijslast te verlichten.[6]

Omkeringsregel

Een voorbeeld van een feitelijk vermoeden is de in de jurisprudentie ontwikkelde ‘omkeringsregel’. Deze omkeringsregel komt er in de kern op neer dat het conditio sine qua non-verband tussen de onrechtmatige gedraging en het ontstaan van schade wordt aangenomen, indien:

“sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade, en dat degene die zich op de schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt”.

Dit is de nader uitgewerkte omkeringsregel van de Hoge Raad in de zogenoemde november-arresten.[7]

Proportionele aansprakelijkheid

Artikel 6:99 BW in combinatie met (analoge) toepassing van artikel 6:101 BW is een van de grondslagen voor proportionele aansprakelijkheid, die uitkomst kan bieden in geval van onzekerheid over het bestaan van conditio sine qua non-verband.

Bepleit wordt evenwel het principe van artikel 6:99 BW ook toe te passen wanneer op de alternatieve oorzaken géén aansprakelijkheid kan worden gebaseerd, zoals in het geval dat deze oorzaak in de risicosfeer van de benadeelde is gelegen, met dien verstande dat de vergoedingsplicht van de aansprakelijke veroorzaker verminderd dient te worden door toepassing van het principe van artikel 6:101 BW.[8]

In het arrest Nefalit/Kerasmus[9] heeft de Hoge Raad de mogelijkheid van proportionele aansprakelijkheid expliciet erkend. In Fortis Bank/Bourgonje[10] heeft de Hoge Raad evenwel bepaald dat deze rechtsregel met terughoudend moet worden toegepast, omdat anders de kans bestaat dat iemand aansprakelijk wordt gehouden voor schade die hij niet heeft veroorzaakt.

Verlies van een kans

De theorie van het verlies van een kans wordt in het algemeen gezien als een toepassingsvorm van proportionele aansprakelijkheid. In wezen gaat het hierbij om een interpretatie van het begrip schade: de (omvang van de) kans dat zonder de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid is gebaseerd een bepaald nadeel zou zijn uitgebleven dan wel een bepaald voordeel zou zijn behaald, wordt beschouwd als vergoedbare schade.

Tussen deze kansschade en de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis dient in beginsel door de eiser te bewijzen conditio sine qua non-verband te bestaan. Daarom is er in deze benadering in wezen geen sprake van proportionele aansprakelijkheid.[11]

Vragen over de bewijslast bij letselschade?

Heeft u vragen over de bewijslast bij een zaak omtrent letselschade? Neem gerust contact op met een ervaren letselschade advocaat van Utrechtse Schade Advocaten voor een vrijblijvende kennismaking.

 

[1] Bijvoorbeeld artikel 6:99 en artikel 7:658 lid 2 BW. W.D.H. Asser, Bewijslastverdeling, Kluwer, Deventer 2004, nr. 27; Prof. Mr. C.J.M. Klaassen, Monografieën BW Schadevergoeding: algemeen, deel 2 B-35, nr. 64 t/m 74. HR 23 september 1988, NJ 1989, 743 (Kalimijnen); HR 9 oktober 1992, NJ 1994, 535 (DES); HR 17 januari 1997, NJ 1997, 230 (Moerman/Bakker).

[2] HR 22 januari 1993, NJ 1993, 665 en HR januari 1998, NJ 1998, 440; HR 20 februari 2004, NJ 2004, 254.

[3] W.D.H. Asser, Bewijslastverdeling, Kluwer, Deventer 2004, pagina 84-85.

[4] W.D.H. Asser, Asser Procesrecht 3. Bewijs. Deventer: Kluwer 2013, nrs 296-305.

[5] W.D.H. Asser, Asser Procesrecht 3. Bewijs. Deventer: Kluwer 2013, nrs 296-305. Een voorbeeld hiervan is de in de jurisprudentie ontwikkelde ‘omkeringsregel’. Prof. Mr. C.J.M. Klaassen, Monografieën BW Schadevergoeding: algemeen, deel 2 B-35, nr. 48 t/m 52. Zie ook: HR 19 januari 2001, NJ 2001, 524 (Ter Hofte/Oude Monnink Motors);
HR 17 december 2004, JBPr 2005, 19 (Hertel/zoon van der L.); HR 19 december 2008, NJ 2009, 28 (Smeets/gemeente Heerlen); noot CJM Klaasen bij NJ 2009, 28, JBPr 2009/14.

[6] Met de verzwaarde stelplicht wordt de ongelijkheid gecompenseerd (binnen aanvaardbare proporties teruggebracht) doordat voor een partij op wie de bewijslast in beginsel niet rust, de plicht bestaat om haar betwisting van een door de andere partij gesteld feit nader te motiveren door het aandragen van nadere stellingen en bewijsmateriaal, teneinde die andere partij op wie de bewijslast rust, aanknopingspunten te verschaffen voor de bewijslevering. Zie: HR 20 november 1987, NJ 1988, nr 500 (Timmer/Deutman); HR 10 juni 1966, NJ 1966, 390; HR 24 januari 1975, NJ 1976, 90; HR 25 april 1986, NJ 1986, 624.

[7] De november-arresten van de Hoge Raad van 29 november 2002, NJ 2004, 304/305, zie ook: toelichting bij voetnoot nr. 15.

[8] Prof. Mr. C.J.M. Klaassen, Monografieën BW Schadevergoeding: algemeen, deel 2 B-35, nr. 58 t/m 63.

[9] HR 31 maart 2006, RvdW 2006, 328 (Nefalit/Karamus).

[10] HR 24 december 2010, NJ 2011, 251 (Fortis/Bourgonje). Zie ook: HR 14 december 2012, NJ 2013, 236, m. nt Lindenberg, onder NJ 2013, 237.

[11] Prof. Mr. C.J.M. Klaassen, Monografieën BW Schadevergoeding: algemeen, deel 2 B-35, nr. 57.


Meer informatie over onze dienstverlening bij letselschade?

Pierre van Geffen

Het beroep van advocaat is mij op het lijf geschreven. Ik adviseer, onderhandel en procedeer. Daarbij stel ik altijd het belang van mijn cliënt voorop en ga ik voor maximaal resultaat.

Neem contact op